Turkije is een Islamitisch land. De Arabieren brachten de Islam in de zesde eeuw naar Turkije. De uiterlijke kenmerken van dit geloof bestaan hoofdzakelijk uit de rijkelijk van kleding voorziene vrouwen en de vijf maal per dag terugkerende oproep tot het gebed vanaf de minaretten. De godsdienst heeft echter in deze landen een veel grotere invloed op het dagelijks leven dan in Europa: een vrome Islamiet dient zich in feite bij elke handleiding af te vragen of hij wel naar de geest van de Koran handelt. Koran betekent “woord van God”. In dit boek staan de profetieën opgetekend, zoals de profeet Mohammed ze in de 7e eeuw ontving van Allah. Mohammed wordt als een zeer heilige man beschouwd, maar niet als de zoon van God, zoals dat met Jezus bij de Christenen het geval is. Mohammed was de laatste van een serie profeten, waartoe ook Abraham, Ismaël, Mozes, Aaron en Jezus behoren. Hij was het echter aan wie Allah de uiteindelijke en totale openbaring van het woord deed.
Elke Moslim moet zich houden aan de vijf zuilen van de Islam:
1 – De geloofsbelijdenis: deze luidt : “Er is geen andere God dan Allah en Mohammed is zijn profeet”.
2 – Het gebed: voor het gebed is de Moslim verplicht zich ritueel te wassen. Men bidt met het gezicht richting de heilige stad Mekka. Op vrijdag wordt men opgeroepen voor gemeenschappelijke gebeden in de moskee.
3 – Aalmoezen: elk jaar dient een gelovige een veertigste deel van zijn geld te besteden aan de armen, wezen of mensen die het minder goed hebben.
4 – Het vasten: ramadan is de maand van de vastentijd. Van zonsopgang tot zonsondergang moet men zich onthouden van voedsel, drank en seksueel contact. De vastentijd heeft geen vast tijdstip, omdat men bij de berekening uitgaat van maanjaren en niet (zoals bij ons) van zonnejaren. Een maanjaar is elf dagen korter dan een zonnejaar. Zieken, oude mensen, kleine kinderen en zwangere vrouwen hoeven zich niet aan de geboden te houden.
5 – De bedevaart: de bedevaart (Hadj) naar Mekka moet door de gelovige een keer in zijn leven worden ondernomen. Men gaat gekleed in witte doeken, zodat iedereen, arm of rijk, gelijk is. Het doel van de tocht is het aanraken van de Kaäba, de zwarte steen die zich op het binnenplein van de grote moskee bevindt.